“Zo, wat heb jij een mooi overhemd aan!”
Hessel zit bij mama op schoot, tegenover de zuster. Mama prutst wat onhandig met de knoopjes, want de mouw moet omhoog. De jongen moet wat tweejarig bloed afstaan want de kinderarts wil weten hoeveel antistoffen hij heeft omdat hij voor zoveel voedsel allergisch is.
We zijn in het Martiniziekenhuis in Groningen, in het vrij nieuwe Allergie Centrum voor Kinderen. Speciaal voor gevallen als dat van onze zoon. En dat kunnen we merken. Sinds zijn geboorte lopen we de deur al plat van het ziekenhuis, maar deze keer is de aanpak duidelijk anders. De arts weet zeer duidelijk waar ze het over heeft en neemt het heft in handen. Na twee jaar allerlei voedselproducten proberen die wel of niet goed vallen bij Hessel is die regie erg prettig.
“Nou, we doen een bandje om de arm en dan doen we het strak. Zie je wel?”
Ze doen het erg goed, de twee zusters. Het is natuurlijk niet de eerste keer dat ze een kindje bloed afnemen, maar ze zijn niet blasé, maar lief met hem bezig.
Ik hoor geen antwoord, want vader staat om het hoekje, laf als altijd bij het zien van bloed. Toch verman ik me en kijk om het hoekje. Approach-avoidance behaviour.
Uit het tweejarige armpje steekt een dikke naald en bloed stroomt een buisje in. Het jochie heeft grote ogen opgezet en vertoont een flinke kleur op de wangen. Met open mond kijkt hij bevreemd naar het schouwspel van het stromende bloed, niet goed wetend wat hij er nu mee aanmoet. Goed, dat prikje deed aanvankelijk wel zeer, maar dit slaat toch alles.
Dan is het alweer klaar. Een grote pleister erop en dan mag hij een knuffeltje uitzoeken van de zuster. De praatjes zijn er ook alweer.
”Ik heb een knuffel!” schalt hij met een stem als een kerkklok, “En Bauke niet!”
Want dat is het loon der zieken in de kleine wereld van rangen en standen. Bauke is zijn oudere broer, die blijkbaar het nakijken heeft. Uiterst tevreden verlaat hij het ziekenhuis.
Dank u, ziekenhuis.
Wat is ie stoer he?!