Het regent jengelig. De winkels gaan bijna open. Voor veel winkels staan personeelsleden bibberig te wachten tot de baas komt met de sleutel. Velen roken, waarschijnlijk verwarmt de rook iets. Als je personeel gewoon in de regen voor de deur laat wachten moet je denk ik niet teveel verwachten van proactief verkopen en aftersales. Maar misschien hebben die winkeliers dat niet nodig, de recessie is immers op zijn retour.
Er zijn veel vrachtwagens in het voetgangersgebied. Ze bevoorraden winkels. Dreunend produceren ze wolken uitlaatgassen die, samen met de rook van de wachtende personeelsleden, een rookgordijn leggen waar ik mijn weg door baan. Ik kan niet voorkomen dat ik op luidruchtige wijze mijn longen schoonrasp.
Een passerende zwerver schat mij een ogenblik in. Het gerochel in combinatie met mijn versleten spijkerbroek en dito jas doen hem waarschijnlijk besluiten met een collega van doen te hebben.
”Moi”, dicht hij mij warm toe.
Ik groet terug en bedenk dat zijn groet waarschijnlijk meer verwarmt dan welke sigarettenrook dan ook.
Even verderop bouwen marktlieden hun kramen op. Het blijkt een leuke bezigheid, want er wordt veel en hard gelachen. Een der lieden claxonneert drie keer per minuut, een diepgewortelde kinderlijke humor die het ook vanmorgen nog erg goed doet. Ik lach wat in de sjaal, maar dat wordt onmiddellijk opgemerkt. Een ander lid van het marktgilde roept mij wat na, geen acht slaand op de homp brood die hij kort tevoren in de mond duwde. De onverstaanbare fontein van kruimels doet mij hardop lachen en ik zwaai maar wat terug, zoals een voetballer die wordt gewisseld.
Alle winkels blijken pas om tien uur open te gaan. Dat komt natuurlijk door die kwijnende recessie. Ik besluit eerst ergens koffie te drinken. Vanuit een stil hoekje kijk ik naar buiten en zie hoe de eerste scholieren verschijnen, duidelijk al niet meer op weg naar school. Opoe gaat al langzaam op weg naar de markt, want de eerste bloemkool is de beste.
Er komen een jongen en een meisje binnen. Ze nemen plaats aan de tafel voor mij. De jongen zit bewegelijk op zijn stoel te draaien. Het meisje zit met de rug naar mij toe. Ze zit doodstil in haar stoel, haar ellebogen rusten op de armleuningen. Haar hoofd lijkt op haar lichaam vastgeschroefd. Druk en schokkerig gesticuleert de jongen. Ik vang flarden op van het gesprek.
“Ja ik wil best werken. Ik wil best aan de slag. Alleen ik zit te denken aan grafisch ontwerpen. Ontwerpen. Folders ontwerpen, afhankelijk van wat zich aanbiedt. Een grafisch bureau, eh, wat zich aanbiedt. En dat je niet zoveel hoeft reizen. Geen verlengstuk van wat ik vroeger deed. Maar wel grafisch ontwerpen. Dat is dus wat ik echt wil. De rest moet ik nog uitzoeken.”
Het meisje zit nog onbewegelijk. Verbaal en non-verbaal is geen enkele reactie waar te nemen. Toch straalt haar houding spanning uit.
“Ik ben van school af zo gaan werken”, vervolgt de jongen, “En nu ga ik maar weer werken. Zo’n grafisch bureau is natuurlijk mooi. Ik zeg niet dat dat definitief is. Al is het maar voor een paar dagen. Misschien kan ik zo ook beter ontdekken wat ik wil en waar ik naar toe moet. “
Abrupt staat het meisje op. Waarschijnlijk zei ze wel iets tegen de jongen, maar ik kon het niet horen. Ze gaat naar het toilet. De jongen kijkt mij nu in het gezicht. Zijn ogen vliegen van links naar rechts. Ik heb het gesprek inmiddels als sollicitatie bestempeld en wil juist opstaan als het meisje terug komt. De jongen betaalt net voor mij aan en verlaat, aan het meisje gearmd, het pand.
“Oh, zit het zo”, denk ik.
Mijn betaalbeurt duurt even en als ik weer buiten sta tref ik de jongen en het meisje opnieuw aan. Ze staan, op enige afstand, bij de claxonnerende marktkooplui en hebben inmiddels erge ruzie. Ik volg het mimische schouwspel, samen met het winkelpersoneel, dat inmiddels binnen staat voor de ramen. Het meisje stampvoet herhaaldelijk en uiteindelijk slaat ze de jongen doeltreffend enige malen op het hoofd met haar tas. Daarop rent ze keihard weg.
De marktkooplui vinden het een geweldig schouwspel. Het claxonneren houdt lang aan, net zolang tot het meisje uit het zicht verdwenen is.
Als ik bij de jongen aankom zit hij inmiddels op een stoepje. Hij zit naast de zwerver, die opnieuw met een collega van doen denkt te hebben. Hij zit er niet veel naast.
“Ze heeft me op straat gezet. Op straat… en ik heb niks, had al niks. Niks. Ik weet het gewoon niet goed. Ik zoek aldoor hè? Het is moeilijk om te zoeken, je kan beter vinden”, mompelt de jongen.
De zwerver wroet in de lange leren jas die hij aanheeft. Hij tovert een fles tevoorschijn met een heldere vloeistof. Hij stoot de jongen aan en geeft hem de fles. De jongen neemt een slok. En nog een. En nog een.
Ik loop door. Ik voel medelijden met de twee mannen op het stoepje. Maar ik denk ook aan de woorden van Tolkien:
“All that is gold does not glitter, not all those who wander are lost….”
Geschreven op 19 januari 2011 in café De Beurs te Groningen, naar aanleiding van het kopen van een straatkrant en een kop koffie met de verkoper. Koop ook eens een straatkrant.