“Maar ik wil je niet de hele dag bij de deur hebben hangen hoor”, zei mijn moeder, toen ik, als tweeëntwintiger, na veertien maanden dienstplicht in Duitsland terugkeerde naar het vaderland. Ik vond dat ze gelijk had en zag het zelf ook niet zo zitten na wilde vrijheden in het leger. Zo betrok ik een kamer in Groningen.
Omdat ik zó erg afgestompt was, als dienstplichtige zonder plichten, dat bier net water met prik was en boeken bestonden uit tekstballonnen met vieze plaatjes, leek het beter het niveau weer wat op te krikken. Het zou de HEAO worden, maar aangezien de opleiding pas driekwart jaar later zou starten verkreeg ik een tijdelijke betrekking als kassier bij een tankstation, ten einde de kamer ook te kunnen betalen.
Zo kwam ik in aanraking met Piet Wichers. Om elf uur ging het tankstation dicht en om tien voor elf kwam Piet tanken. Grote, lichte Volvo op gas.
“Hé, pomp zeven even afrekenen, en twee piek voor jezelf,” was zijn vaste zin als hij binnenkwam. In die tijd ook een behoorlijke fooi. Ik zag Piet graag komen aanrijden. Temeer ook daar overvallen op tankstations tegen sluitingstijd meer regel dan uitzondering waren.
Na enige weken raakte ik met Piet in gesprek. Een vrij kleine man met lang haar. Hij kwam wat ongrijpbaar over, beetje artistiekerig. Aanvankelijk kleine zinnetjes en begroetingen leidden tot een verhaal over Herman Brood en de videorechten die hij voor alle optredens had.
Ik was de wilde dienstmaanden nog niet helemaal kwijt en vond het machtig interessant. Herman Brood associeerde ik toch met wild, uit de band, tegendraads en schijt aan alles. Terecht, zo bleek.
Na een paar maanden regelde Piet gratis toegang bij concerten van Herman in Groningen. Herman op het podium, Piet pal ervoor, voorzien van de toen in zwang zijnde videoapparatuur. Keiharde muziek in een onstuimige zaal met bier en Pogo.
Bij het tweede concert, ik zat inmiddels al op de HEAO, mocht ik ook backstage. Het was pauze en ik liep achter een zenuwachtige Piet aan.
“Ik weet even niet hoe Herman is,” zei Piet nerveus, “Hij is soms een beetje uit zijn doen de laatste tijd.”
Ik keek naar rechts en zag Herman staan onder een trap, met de broek op de enkels. In mijn diensttijd was ik doodgegooid met beelden als die van de blonde mevrouw, die op die knieën zat en dingen deed met Herman. Toch schokte het me toch behoorlijk, zo op twee meter van mij vandaan, in real life.
Herman stond erbij alsof hij in de rij voor het loket bij de bioscoop stond. Hij keek even opzij en ik zag de ontstellend lege, verlaten en trieste blik in zijn ogen.
“Ogen zijn de spiegels van de ziel,” luidt een gezegde, zo te zien was de ziel van Herman dus even elders.
“Hé,” zei hij in mijn voorbijgaan, alsof hij in de Heerestraat stond, terwijl de dame druk bezig bleef.
Het absurde, onrealistische beeld bleef me altijd het meeste bij, hoewel ik Herman in latere jaren nog twee keer kort heb ontmoet. Op 11 juli 2001 vernam ik van de zelfmoord van Herman en als eerste schoot me die lange, lege, trieste blik ook weer in gedachten.
“Ik heb er geen zin meer in,” schreef hij in een afscheidsbriefje.
Mensen hebben het bij zelfmoord ook vaak over “een vlaag van verstandsverbijstering.” Ik geloof daar niet zo in. Een leven is cumulatief, geen opeenvolging van losse gebeurtenissen, locaties en gevoelens.
Ik heb het in 1990 eigenlijk al in zijn ogen gelezen.
