Als ik met de boodschappenkar de hoek omsuis bots ik vrij stevig tegen de hakken van een oudere heer. Hoewel ik het vel van zijn achillespees moet hebben gereden draait hij zich traag om en kijkt me slechts even aan.
”S-sorry,” stamel ik onhandig en zwenk de kar opzij. Nog een keer kijk ik hem aan. Ik kijk in een onpeilbare poel van triestheid en leegheid. Blauwe ogen, die door ellende grijs zijn geworden. De man knikt slechts minzaam en wendt zich weer naar zijn toehoorder.
”Ja Steven, mijn zoon, woont ver weg. In Diemen woont hij. Dat is ook niet naast de deur. Dus ik zie hem niet zo vaak. Maar tegenwoordig kan ik hem een e-mail sturen. Ken je dat, e-mail?”
De man naast hem lijkt me geen hoogvlieger, op helaas geen enkel gebied. Dommig staart hij de e-mailer aan en knikt langzaam.
”Ja, daar heb ik wel eens van gehoord. Met van die computers en zo,” waagt hij.
”Ja, ja precies! Dat bedoel ik toch. Nou dan stuur ik hem zo’n bericht en dan antwoordt hij ook wel. Ja, soms wel eens een paar dagen later pas….”
De spijt hangt in de lucht en eigenlijk wil ik weten hoe het afloopt. De man kijkt opnieuw om naar mij en haastig tuur ik tussen de potten jam en kies lukraak wat uit en zet het in mijn kar. Shit, abrikozenjam. Vieze rommel. Narrig been ik weg en hoor hoe de man vervolgt:
”Ja mijn dochter komt vaak langs hoor. Erg vaak, wel een paar keer per week. Ik heb er veel aan.”
Hij zegt het op een toon alsof hij een rouwadvertentie voorleest. Met goed fatsoen kan ik niet blijven luisteren en ga op weg naar de kaas, in een tempo alsof ik naar de tandarts moet.
”Ja, ja , ja,” hoor ik nog juist het montere commentaar van de onnozele toehoorder.
Als ik de prei, de sausmix en het wasmiddel al heb kom ik ze weer tegen, bij het koelvak voor de melk. Ik zet een krachtige rem op mijn tempo en langzaam slenterend kom ik naderbij en hoor:
”….en toen zei ik nog tegen haar dat ik liever het dopje van de shampoofles laat omdat ik anders dat ding zo moeilijk openkrijg. Maar dat gaf geen effect. ‘De kracht gaat er anders uit’, zei ze. Ja, ze zal wel gelijk hebben hoor. Ze heeft natuurlijk zelf een gezin en zo. Maar ik vind het zo onhandig, dat dopje op de shampoofles.”
”Ik was mijn haar altijd in bad,” brengt de andere man in het midden. Maar de man met de lege ogen staart in de verte. Ik hang nu voorover in het koelvak, om de achterste pakken melk te bekijken.
”Nou had ze laatst al mijn kranten weggegooid bij het vuilnis,” zucht de oude, “en gisteren beweerde ze dat mijn zoon een egoïst is omdat hij nooit langskomt. Ik gaf haar maar gelijk, want als ik er tegenin ga wordt ze ontzettend boos. Niet dat ze dan wegblijft hoor. Nee, dan komt ze wel, maar dan zegt ze de hele tijd niks. De hele tijd niet. Dat is verschrikkelijk.”
Ik heb de melk en richt mij weer op. Ik zie de man naar de grond turen.
”Maar verder is het een lieve meid hoor,” hoor ik hem zeggen, “erg zorgzaam en zo. Ik heb er natuurlijk wel veel aan, want alleen kan ik niet veel.”
”Ik heb zin in koffie,” zegt zijn toehoorder botweg, “ga je mee naar de kassa?”
Ik slof met mijn volle kar achter ze aan. Als ik net achter ze sta in de rij zegt de verteller:
”Ja en nou moet je weten dat ik al een jaar op maandagmorgen op bezoek ga bij mijn vroegere buurman uit de Ceramstraat. Maar nu wil ze op maandagmorgen mijn kamer schoonmaken omdat ze op dinsdag mijn kleinzoon vroeg thuis heeft. Of zoiets. Maar ik wil eigenlijk liever naar mijn buurman. Maar dat heeft geen effect. ‘De boel moet wél goed schoon blijven’, zei mijn dochter. ‘Anders verslons je maar en word je zo’n vieze oude man’. Dát zegt ze dan, moet je rekenen!”
”Dan ga je toch op dinsdag naar je buurman uit de Ceramstraat,” zegt zijn toehoorder. Bij nader inzien is de man misschien toch niet zo onnozel als ik aanvankelijk dacht en heeft hij zijn gezicht gewoon niet mee.
De oude man haalt zijn schouders op, zucht en glimlacht meewarig.
”Nee, dan komt z’n dochter. Schoonmaken.”
